Interview Paul Baeteman

Interview met Paul Baeteman

 

 

 

Nasrin Khan: In de tweede wereldoorlog  was Paul Baeteman nog maar elf jaar. Nu is hij een succesvol beeldhouwer. Vandaag kan hij zich nog heel veel van de oorlog herinneren.

 

Manon Van Duüren: De vader van Paul Baeteman was krijgsgevangene in de oorlog. Hij zat in Nederland, maar is weggevlucht naar Rums, een dorpje bij Doornik. In 1942 is hij van daar te voet naar huis gekomen. Zijn huis was de RMS van Nieuwpoort, waar de moeder van Paul conciërge was. Daar heeft hij zich twee jaar lang moeten schuilhouden.

 

Victor Godaert: De school was in die tijd in twee delen verdeeld: een jongensschool en een meisjesschool. Het was in de meisjesschool dat Paul met zijn zus en zijn ouders woonde. Een heel stuk van de school is afgeschoten geweest. Je kunt het nog zien aan de bakstenen.

 

Axel Verdoolaeghe: Op de koer van de jongensschool was er iedere zondag dril van de gestapo. Dat konder we zien.  In de kelder van de meisjesschool  staken de Duitsers hun aardappelen. Mijn vader zei tegen mijn zus Jeanine en ik: Jullie moeten in die kelder geraken! Want in de oorlog was er niet veel te eten. Er was rantsoenering. Wij waren klein en konden als het rooster weg was door een gat om aardappelen te nemen.

 

Joyce Monteny: Door de aardappels te wrijven maakte mijn vader er aardappelbloem van waar we brood mee bakten. Hij had toch niks anders te doen.

 

Nasrin: Op een dag stonden ma, pa, mijn zus en ik op de koer te kijken naar Duitse vliegtuigen die overvlogen. De Ieperstraat was voor de helft gebombardeerd. De bommen waren bedoeld voor de Lange Brug. Opeens zagen we een bom vallen, niet ver van waar wij stonden. Mijn vader riep: Op je buik! Maar wonderlijk genoeg ontplofte de bom niet. Als hij ontploft was, zou ik al zestig jaar dood geweest zijn! Later is de bom gevonden, bij graafwerken  om een elektriciteitskotje te bouwen.

 

Bardha Reka: Iedere zondag kwam een vriend van mijn pa, mijnheer Lombaert, met hem dammen. Er was een speciale code afgesproken om te bellen aan de deur. Dus toen we die speciale bel hoorden, wisten we dat  pa mocht opendoen. Op een keer hoorden we dat geluid en pa ging opendoen. Maar er stond geen vriend aan de deur, maar een gestapo! Die was gemist, hij moest in de jongensschool zijn.  Pa zei: ‘k Ga iemand halen! En weg was hij. Hij had een vals plafond gemaakt in de zolder en is daar vlug gaan inkruipen.

 

Kevin Van Rompaey: In de Oude Veurnevaartstraat hadden wij een klein tuintje. Daar kweekten we een beetje prei, sla… Wij aten dikwijls een boterham met sla. Tijdens de oogst gingen we soms de kopjes van de tarwe oprapen die afgebroken waren. We staken dat in zakken en maakten er thuis tarwemeel van om brood te bakken.

 

Axel: We hebben een tijd gehad dat er een overvloed aan haring was. De kaai was één vloer van “halve frangsjes”. Zo noemden wij de schilfertjes van de haring, de schubben. Dat is het geluk geweest van de Nieuwpoortenaars. We aten haring op alle mogelijke manieren: haring in azijn, gerookt, gebakken…

 

Liam Verbelen: Ja, wij kenden veel mensen die in het verzet waren. Zo was er professor Honoré Hoevenaeghel. Hij woonde in de Recollettenstraat, bij het Ankerstraatje, en was leraar wiskunde aan het atheneum in Oostende. Hij had drie zonen en een dochter. Op een dag was hij gaan vissen. Voor hij weer in Nieuwpoort kwam, moest hij langs de school. Dat was de afspraak. Mijn vader zei: Niet naar huis gaan, de gestapo staat aan je deur. Maar hij zei: En mijn vrouw, en mijn kinderen? Wij zeiden: Nee, de gestapo komt niet voor hen, ze willen jou! Dus ga niet naar huis! Maar hij is toch gegaan. Hij heeft zijn voordeur zelfs niet gezien: onderweg naar huis is hij opgepakt. Hij is naar een concentratiekamp gebracht en nooit meer teruggekeerd.

 

Nasrin: Ook de nonkel van Paul, Norbert Baeteman, is meegenomen. Hij was toen zeventien jaar en werkte in het station in Nieuwpoort. Hij speelde treinticketten door naar de geheime diensten en is verraden. Na de bevrijding ging hij met zijn vrienden direct een pint drinken in een café. Maar ze zijn uit dat café gehaald. Ze moesten op hun knieën in een gracht gaan zitten en werden doodgeschoten. Door Vlamingen, van de brigade van Langemark. Een paar van zijn vrienden zijn kunnen ontsnappen door zich te laten vallen, met de doden over hen heen. Dat waren Deman, een steenkapper, en Hubrecht, een kunstsmid uit de Kokstraat. Maar ook André Derudder is daar gestorven.

 

Tomy Vaeremans: Bij de eerste bevrijding van Nieuwpoort zijn de Canadezen binnengekomen, hebben een toer gedaan en zijn weer vertrokken. De witte brigade heeft toen alle Duitsgezinden opgesloten in het stadhuis.  Maar de Duitsers zijn  teruggekomen. Op het hoekje van de Ieperstraat en de Langestraat hadden ze een mitrailleurnest. Daar hadden ze zicht op de Langestraat en de Lange Brug. Wij konden ze vanuit de school heel goed zien. Toen zei mijn pa: Hadden wij maar een wapen gehad! Dan zou ik die Duitsers doodschieten!

 

Kevin: Toen de Canadezen Nieuwpoort voor de tweede keer bevrijd hadden, was iedereen enorm gelukkig. Na jaren onder de knoet geleefd te hebben, was iedereen blij. Iedereen liep naar buiten met een vlag. Ik vind het raar dat op de foto niet meer vlaggen staan. De foto is genomen door mijn oom, Maurice Lust, vanuit zijn studio op de markt. Hij was toen de enige fotograaf in Nieuwpoort.

 

Ghilljen Allyn: Juist na de bevrijding installeerden de Engelsen op de meisjeskoer een keuken: een legerkeuken voor een heel regiment. Grote olievaten die doorgezaagd waren, werden gebruikt als vuur om op te koken (de onderkant) en als oven (de bovenkant). Daar heb ik leren koekjes eten! En chocolade! Ik ben nooit een roker geweest, maar daar heb ik mijn eerste sigaret gerookt. Ik kreeg een heel doosje met vijftig sigaretten. Er waren twee koks. Ze leken wel de dikke en de dunne. Jimmy en George, een hele lange en een dikke. Jimmy was eigenlijk beenhouwer en George was een kok. Ma heeft jarenlang connecties blijven houden met de koks. Elk jaar gingen we hen bezoeken in Engeland. Thee werd gemaakt in vaten van elke keer vijftig liter. In bidons werd dat naar de troepen gebracht. De apple pie werd gesneden in stukken van wel zo dik Ik heb er veel gegeten! Aan de inkom van het huis was er een coiffeur, Lesley, een Canadees. Die namen zijn er bij mij in geklopt. Ik ben geboren in 1933.  Op het einde van de oorlog was ik elf jaar. Maar alles van die tijd zit er bij mij echt ingeprent.

 

Bella Pogosian: Soms spreekt Paul Baeteman nog eens over de oorlog, als er een aanleiding is. Met oude mensen want de jongere generatie is niet geïnteresseerd in de oorlog. Hij heeft een beeld van achtduizend kilo gemaakt, voor niks, voor de Engelsen.  Hij heeft er acht maanden aan gewerkt en het staat in De Panne aan het Dunkerque memorial. Bij de inhuldiging van het beeld in 1978 strooide de helikopter van Koksijde klaproosjes uit. Het was één rode wolk. Schotse doedelzakken speelden. Elk jaar komen duizenden Engelse soldaten terug om feest te vieren.

 

Paul Baeteman vertelde boeiende verhalen.

Advertenties

De bevriedinge: Bezoek aan Martha Vanhercke in rustoord De Zathe

WO II: Bezoek aan Martha Vanhercke in rustoord De Zathe

 

 

Bella Pogosian: Op dinsdag 10 februari gingen we een uitstapje doen naar het rustoord om iemand te interviewen. Die persoon was Martha Vanhercke. Maar we hadden pech want ze wist niks meer van de tweede wereldoorlog.

Anaïs Missiaen: We vroegen of ze nog iets wist van de oorlog. Ze zei: “Neen, want het is zolang geleden.” Ik dacht in mezelf: “Spijtig is het wel, maar we hebben het toch geprobeerd.”

Bella: Nu weten we wie het is, die staat op de foto van 7 september 1944.  Het is natuurlijk wel heel normaal dat ze niets meer wist, want ze is al erg oud.

 

Ghilljen Allyn: Nadien gingen we naar de Pelikaanstraat waar Denise in de oorlog woonde.

Anaïs Missiaen: Juf toonde ons daar een plaats. In de klas hebben we over de bevrijding geleerd. Er zat daar een foto bij die op die plaats is genomen.

Ghilljen: Op die foto stonden Canadese bevrijders een sigaret te roken onder een bordje waarop stond: Nieuwpoort. Wij speelden de Canadezen en juf nam een foto.

 

 

                                                                    5ws  10 februari  2009


De Bevriedinge: Joyce interviewt haar oma

Interview met Monique Vandenabeele, de oma van Joyce Monteny

 

 

De oma van Joyce staat op de foto maar op de dag van de bevrijding was ze pas vier. Dus ze herinnert zich niet veel meer. Toch heeft ze nog een paar dingen aan Joyce kunnen vertellen.

Haar vader was visser en wou op een dag vluchten met zijn boot. Maar de Duitsers stonden aan Nieuwpoort-bad en hielden hem tegen. Tijdens de oorlog hadden ze genoeg te eten want haar vader verdiende goed omdat hij vis verkocht aan de mensen. Bij de bevrijding was iedereen blij maar omdat ze zo klein was, besefte ze dat nog niet zo goed.


De Bevriedinge: interview met Lucien Billiet

Interview met Lucien Billiet

 

Nasrin Kahn: Mijnheer Billiet was zeventien toen de oorlog begon. Nu nog steeds herinnert hij zich de pijnlijke momenten van de tweede wereldoorlog in Nieuwpoort.

 

Jan Heinrichs: Het interview ging heel goed. Mijnheer Billiet kon alle vragen zorgvuldig beantwoorden. Daarbij werden vele emoties getoond: blijdschap bij de bevrijding en verdriet bij het denken aan de doden.

 

Barda Reka: Aan het begin van de oorlog zat Mijnheer Billiet op school in Torhout. Hij leerde voor onderwijzer.

 

Anaïs Missiaen: ‘De directeur riep alle jongens bij elkaar. Hij zei dat er oorlog uitbrak en dat we onze koffers moesten nemen om naar huis te gaan.’

 

Nasrin: Mijnheer Billiet ging naar huis en zag overal Duitse vliegtuigen in de lucht. 10 mei 1940: de oorlog was begonnen.

 

Anaïs: De oorlog begon in Antwerpen en Limburg. Veel vluchtelingen kwamen naar onze streek.  De mensen dachten dat het een oorlog ging zijn als de eerste. Maar dat was niet zo. Het was veel erger. Want er bestonden vliegtuigen. De mensen waren bang. Zo bang dat ze in de kelder sliepen. De kelders hadden ze versterkt met meerdere stenen. Heel de tijd zwijgen. En hoop zoeken, heel veel hoop, om te kunnen denken dat het vlug voorbij zou zijn. Maar het was niet rap voorbij. Het duurde vijf jaar vooraleer het voorbij was.

 

Joyce Monteny: Mijnheer Billiet zei: “Oorlog is niet alleen vechten, maar ook honger lijden.”

 

Nasrin: Je kon geen voedsel in de winkel kopen. Je moest zegels hebben.

 

Joyce: Je kreeg tien bonnetjes per maand.

 

Ghilljen Alleyn: Mijnheer Billiet moest zijn zegels afgeven op school.

 

Jan: Tijdens de oorlog was er bijna niets te eten maar op school kregen ze soms een appelsien of een beetje chocolade.

 

Kevin Van Rompaey: ‘Honger lijden was het ergste. Soms ging ik de boer in Ramskapelle  helpen het gedorste graan op de kar te laden. Als dank mochten we dan de aren hebben die waren achtergebleven. We raapten ze van de grond en haalden de graankorrels eruit. Een hele zak vol had ik dan. Met een koffiemolen maalden we dat graan om er brood van te bakken.’

 

Manon Van Duüren: Iedereen vocht om aan eten te komen. De mensen kochten soms boter bij de boeren maar je moest opletten want ze deden soms margarine vanbinnen en boter er rond.

 

Ghilljen: Ze dronken namaakkoffie. Dat was gemaakt van gerst.

 

 

Anaïs: Vijf jaar heel weinig eten. Als je iets at, was het meestal niet lekker. Alles moest je betalen met zegels. Maar je kreeg maar een keer per maand zegels. En je kreeg er heel weinig. Maar er was één goed jaar. Dat was het jaar toen er veel haring was.

 

Manon: Nu en dan mochten de vissers op zee en kwamen dan terug met boten vol haring.

 

Victor: Veel mensen hebben de oorlog overleefd op haring. Miljoenen haring was er.

 

Axel Verdoolaeghe: Zelf verkocht Mijnheer Billiet ook haring. Hij smokkelde het. Hij verstopte het in een ‘mazoetje’ en zo ging het naar Diksmuide.

 

Bardha: Mijnheer Biljet werkte in die tijd in het treinstation.

 

Ghilljen: Dat stond op het einde van de Franslaan.  

 

Kevin: De stoomtrein reed in die tijd door Nieuwpoort-stad tot Nieuwpoort-bad.

 

Ghilljen: En een klein stoomtreintje noemden ze ‘een mazoetje.’

 

Kevin: ‘We mochten soms wel meer dan twee zakken haring meenemen. Maar die nacht had ik mijn haring in het kot gezet waar de stoomtrein water kwam halen en deed de deur op slot. Die nacht kwamen ze me wakker maken omdat ze de sleutels niet konden vinden en de trein stond stil. Ik was opgelucht want de haring hebben ze niet gevonden.’

 

Joyce: Mijnheer Billiet moest soms de treinsporen controleren om te zien of ze niet gesaboteerd waren.

 

Manon: Ze moesten van Nieuwpoort-stad naar Nieuwpoort-bad langs de rails stappen voor de trein vertrok. 

 

Jan: In de duinen werden grote staken geplaatst. Die hadden ze met de stoomtrein vervoerd. Aan die staken hing  prikkeldraad en ook mijnen. Dat deden ze omdat er geen vijandelijke parachutisten in de duinen zouden landen.

 

Manon: Je mocht niet op het strand en ook niet op de zeedijk.

 

Kevin: Op de dijk stonden kanonnen en het strand lag vol met prikkeldraad en misschien ook met mijnen.

 

Tomy Vaeremans: De villa’s op de zeedijk stonden leeg. Het waren buitenverblijven en de mensen moesten uit hun huis.

 

Victor Godaert: De Duitsers hadden die huizen met elkaar verbonden door gaten te maken in de muren.  

 

Bella Pogosian: Na acht uur ’s avonds mocht niemand meer buiten komen. Je moest ook het licht uitdoen want als een Duitser licht zag, schoot hij de ruit kapot.

 

Aschley: De mensen bedekten de ramen met zwarte doeken.

 

Nasrin: Je mocht ook niet naar de radio luisteren. Maar mijnheer Billiet deed het toch. Hij zette de radio heel erg stil zodat de buren het niet zouden horen. Op een keer hoorde hij in de radio: “En toch zullen we de moffen krijgen.”

 

Ghilljen: De Duitsers hadden de Belgische radio overgenomen. Dus luisterden de mensen naar de Engelse post. Met hun oor tegen de radio zodat de Duitsers het niet zouden horen. Toen hadden de Duitsers een plan: alle mensen moesten hun radio afgeven. Maar één man deed dat niet: de tandarts. ’s Avonds stak hij de radio aan en iedereen luisterde mee.

 

Nasrin: Norbert was een goede kennis van mijnheer Billiet. Hij zat in het verzet. Hij werd meegenomen en naar een concentratiekamp gevoerd. Dit vertelde mijnheer Billiet bijna met tranen in zijn ogen.

 

Victor: Het verzet verzamelde informatie over de Duitsers, bijvoorbeeld met hoeveel ze waren op die plek, hoe ze aanvielen, waar ze zijn enzovoort.

 

Kevin en Manon: Er was eens een Engels vliegtuig neergestort en de piloot was eruit gesprongen. De Duitsers gingen van huis tot huis om die piloot te vinden. Mijnheer Billiet stond op en toen hij buiten kwam, stonden twee Duitsers met een geweer voor zijn neus. Hij moest terug naar binnen. Ze zochten heel zijn huis af.

 

Kevin: Sommige mensen collaboreerden om meer eten te krijgen.

 

Manon: De overbuur van mijnheer Billiet was een collaborateur.

 

Joyce: Je mocht niet verder gaan dan vijf kilometer. Wel als je een ‘shein’ had. Dat moest je halen in Veurne.

 

Anaïs: Mijnheer Billiet was één van de eerste die wisten van de bevrijding.

 

Joyce: Hij had een signaal gekregen op het station dat de bevrijders eraan kwamen.

 

Kevin: ‘Toen de bevrijders kwamen waren we gerust en blij maar de Duitsers kwamen terug en begonnen te schieten. Dus vluchtten we naar een bunker in de Victorlaan. Met drieëndertig mensen zaten we daar. Er werd geschoten tot vier uur ’s nachts. Toen we geen schoten meer hoorden, deed ik de deur open. Er lag er een Canadees met een geweer op een stoel. Hij was dood.’

 

Joyce: Dat is het ergste wat mijnheer Billiet ervan onthouden heeft.

 

Bardha: Dat was het laatste schot dat hij gehoord heeft.

 

Jan: Op de dag van de bevrijding was iedereen heel gelukkig.

 

Axel: Veel huizen waren kapot maar toch hingen de mensen vlaggen uit om de bevrijders te bedanken.

 

Ghilljen: De oorlog was eindelijk gedaan en er was een heel groot feest. Mijnheer Billiet zat in de fanfare en speelde muziek in alle straten. De mensen waren allemaal blij.

 

Manon: De  tweede wereldoorlog was een erge tijd.

 

Anaïs: Ik hoop dat er nooit meer een oorlog ontstaat.


De bevriedinge: interview met Trees Cusse

Interview met Trees Cusse

 

We hebben vandaag weer een interview mogen afnemen. Deze keer was dat met mevrouw Trees Cusse. Zij heeft ons meer uitleg gegeven over hoe ze de tweede wereldoorlog heeft overleefd.

Bardha Reka

 

 

 

 

Bardha: Hoe oud was u bij de bevrijding?

Ik  was toen zestien jaar.

 

Anaïs Missiaen: Hoe wist u dat de bevrijding nabij was?

Mijn zus werkte  op het stadhuis en zij is  komen zeggen dat de Canadezen op komst waren.. Wij woonden toen in de Willem De Roolaan en van op zolder konden wij de tanks zien afkomen. Ze kwamen vanuit Ramskapelle. Ik denk drie tanks.  We zagen ze door het water rijden en een beetje later stonden ze op de markt. We waren zo blij!

 

Joyce Monteny: Was dat de eerste bevrijding of de tweede?

De eerste. De Duitsers zijn nadien teruggekomen en hebben nog mensen opgepakt. Ze hebben ook nog gebombardeerd. Na die eerste bevrijding hebben ze bij mevrouw Zomerlinck een bom gesmeten. Zij is gestorven. Vlak voor de bevrijding… Dat was niet ver van het voetbalplein.

 

Jan Heinrichs: Hadden jullie contact met de Canadezen?

Niet veel. Maar…Onze voordeur had een venstertje. Op een keer kwamen we uit de kelder en zagen daar iemand staan. Het was een Canadees. Dat was een hele opluchting. Hij kwam zich daar verschuilen.

 

Kevin Van Rompaey: Wat herinnert u zich nog van de bevrijdingsdag?

Dat ik boven op een tank gekropen ben. Veel mensen. Fotograaf Lust heeft toen die foto genomen. De mensen waren wild van blijdschap.

 

Ashley Hosten: Heb je tijdens de oorlog honger geleden?

Dat niet. Maar we moesten wel opletten wat we kochten. Alles was met zegels. Die moest je afhalen op het stadhuis.

 

Bardha: Wat aten jullie toen?

We aten brood dat we met zegels kochten. We gingen ook bij de boer tarwe halen, die we eerst maalden en waarmee we dan zelf brood bakten. Er is ook een periode geweest dat er veel haring was. Dat werd ingelegd in zout. Dat was lekker.

 

Ghilljen Alleyn: Hebt u moeten schuilen voor de Duitsers?

In het begin van de oorlog zijn we naar een hofstede in Oostduinkerke gevlucht. Daar zijn we een week gebleven. Toen we terugkwamen was de kerk gebombardeerd. Ook de bruggen waren kapot. We moesten langs de spoorwegbrug naar huis terug. Daarna moesten we vaak in de kelder schuilen. Zelfs in de kelder slapen. Mijn tante woonde naast ons en we hadden een gat gemaakt in de keldermuur.

 

Tomy Vaeremans: Is jullie huis ook gebombardeerd geweest?

Er is een bom door het bovenste van ons huis gekomen. Er waren gaten in de muur. Alle ruiten waren kapot. Die moesten we dichtmaken met zwart papier, ‘terrepapier.’ Zo’n oorlog was verschrikkelijk. De angst herinner ik me nog. Dat was het ergste.

 

Axel Verdoolaeghe: Hebben jullie in de oorlog soms onderdak geboden aan mensen?

Ja, aan mensen van wie het huis gebombardeerd was.

 

Axel: Hebt u ooit een Duitser over de vloer gehad?

Ja, wij moesten een kamer afstaan aan Duitse officieren. Zij eisten dat op. Maar we hadden geen klachten. Het waren ook mensen. Die officier was chef van het orkest. Dat orkest speelde soms muziek op de markt, voor de soldaten. De bevolking ging daar niet naartoe. De knecht van de officier herinner ik me ook nog. Dat was een goeie jongen. Het was een kleine, magere. Ze noemden hem Mickey.

 

Ashley: Ging u naar school tijdens de oorlog?

Ja, maar de school, die in onze straat lag, was afgezet. We kregen les in de Recollettenstraat, daar was vroeger een danszaal. Ook in De Zathe, dat vroeger een hospitaal was.

 

Bella Pogosian: Spreek je soms nog over de oorlog?

Nee, niet zoveel.

Het is verschrikkelijk geweest.

 

 

Wat we dachten tijdens dit gesprek:

Barda: De wereldoorlog is eigenlijk nog niet zo lang geleden.

Ghilljen: Dat is toch erg voor die mensen.

Jan Heinrichs: Oorlog is verschrikkelijk!

Marie Vandevelde: Dat ze er jong uitzag.

Kevin Van Rompaey: In die tijd wil ik niet leven;

 

Welke uitspraak van mevrouw Cusse ons het meeste trof:

Axel: Van die mevrouw die overleden is omdat ze gebombardeerd werd.

Aschley: Dat ze een Canadees zag staan aan de deur.

Joyce: Dat ze zei: Jullie weten niet hoe erg het was tijdens de oorlog.

Jan: Dat er ook goeie Duitsers waren.

Anaïs: Dat je moest oppassen als je iets kocht.


WO II: De bevriedinge

 

De bevriedinge : gesprek met Denise Vanheste

19/01/09

 

Vandaag is mevrouw Denise Vanheste langs gekomen om meer te vertellen over de tweede wereldoorlog . Tijdens de tweede wereldoorlog was mevrouw Denise twaalf jaar . Toen de Canadezen Nieuwpoort kwamen bevrijden, was ze tevreden en gelukkig wat heel begrijpelijk is . Toen Nieuwpoort werd bevrijd gingen de Canadezen naar het markt plein . De mensen gingen ook naar het markt plein om de Canadezen te begroeten. Toen werd de foto genomen. Door fotograaf Lust. De foto die wij nu aan het bestuderen zijn.  Nieuwpoort werd tweemaal bevrijd.  De eerste keer dat Nieuwpoort werd bevrijd duurde niet lang want de Duitsers kwamen terug .

Bardha Reka  6ws

 

Bevrijd, bezet en dan echt bevrijd. Dat moet echt erg zijn om dat mee te maken.

Anaïs Missiaen 5ws

 

Mevrouw Vanheste was twaalf jaar en wou helemaal vooraan staan op de foto en dat was haar gelukt.

De Canadezen waren vriendelijk en gaven sigaretten aan de mannen. Die sigaretten hadden een speciale geur. De jongens gingen er soms eentje vragen.

Verschillende mensen en ook haar moeder scheurden lakens aan stukken, verfden ze zwart, geel rood en een Belgische vlag was gemaakt.

Jan Heinrichs 6ws

 

Mathias Rez: Het geel was niet altijd het geel dat ze verlangden, geen felgeel.

 

“Nieuwpoort  was dus  bevrijd. Er was overal feest. Maar de Duitsers kwamen terug. Je hoorde ze al van ver komen. Ik weet nog  dat mijn moeder een Belgische vlag  had gemaakt en buiten had gehangen. Toen hoorden we schoten. In de verte, nog niet in de straat. We vroegen ons af: en wat met de vlag?  Ik ging rap naar boven en haalde de vlag binnen. Net op tijd want ze waren daar al. Dat is ons geluk geweest.”

Anaïs

 

Mensen sliepen meestal in de kelder, ook mevrouw Denise. Dat deden ze uit schrik voor de bombardementen.

Bardha

 

Anaïs: Soms ging de sirene en dan moest iedereen de kelder in.

 

Ze zaten daar op matrassen. Op een keer kwam er een man met legerschoenen op de koer van Denise.  Iedereen begon te beven van angst. Maar het was de buurman die vroeg: Falère, mag ik in je kelder? (Hij kon de v niet zeggen)

Ashley Hosten (6ws) en Ghilljen Alleyn (5ws)

 

Tijdens de oorlog woonde Denise in de Pelikaanstraat. Over honger hadden ze niet te klagen want ze aten dingen die ze zelf kweekten: een kip, een konijn…

Joyce Monteny 6ws

 

Toen de oorlog begon was Denise acht jaar. De kinderen mochten nog altijd naar school, maar er was een periode van drie maanden dat er geen school was. Het waren niet allemaal gewone lessen, maar je moest leren schuilen.

Liam Verbelen 6ws

 

Eens kwamen drie mensen  aan de deur kloppen om te vragen of ze bij Denise mochten in de kelder slapen. Ze waren naar Frankrijk gevlucht en waren van Frankrijk op weg terug naar Oostende. Ze zeiden dat ze na de oorlog nog goeiendag gingen komen zeggen, maar ze hebben ze nooit meer gezien.

Manon Van Duüren 6ws

 

Bella Pogosian: Denise luisterde stiekem heel stil naar de radio. ’s Avonds mocht er geen licht branden in je huis. De ramen werden bedekt met gordijnen.

 

Ashley Hosten: Denise weet nog dat er huizen waren gebombardeerd in de Ieperstraat. Mevrouw Goderis was bij de doden. Ze was afgelegd maar is weer tot leven gekomen.

 

Mathias: In die tijd was er in de Langestraat een cinema. Bij dat bombardement was er een enorme “oelibroeli” (paniek). De mensen liepen allemaal de cinema uit.

 

Kevin: Nieuwpoort zag er toen verschrikkelijk uit. Je kon niet op de dijk.

 

Liam Verbelen: Op het strand lagen mijnen. In de duinen ook. Ook op zee. Bij grote storm konden die vanzelf ontploffen.

 

Manon: De markt was afgezet met prikkeldraad. De Duitsers hadden hun hoofdkwartier in het college. De lessen gingen toen in andere lokalen door.

 

Manon: Mevrouw Vanheste kent iemand die in het concentratiekamp heeft gezeten omdat hij in het verzet zat. Die mens heeft veel afgezien. Toen hij terugkwam was hij graatmager. Hij woog nog vijfenveertig, vijftig  kilo.

 

Wat het meeste indruk maakte:

 

Axel: Dat er een man terugkeerde uit het concentratiekamp en dat hij nog vijfenveertig, vijftig kilo woog.

 

Bella: Dat er soms mensen kwamen vragen of ze in je kelder mochten schuilen.

 

Nasrin: “Ik heb vlug de vlag naar beneden getrokken, zo waren we gered.”

 

Liam: Dat de mensen het tegen elkaar rondzegden dat de  Canadezen er waren.

 

 

Onze bedenkingen tijdens het gesprek:

 

Liam: Amai, dat ze dat allemaal heeft meegemaakt!

Joyce: Ik dacht aan Gaza. Wat die mevrouw vertelde was een beetje hetzelfde scenario.

Bardha: Ik ben blij dat ik elf jaar geleden ben geboren en niet negenenzestig jaar geleden.

Tomy: Dat de oorlog verschrikkelijk was in Nieuwpoort.

Ashley: ik was blij toen ze vertelde dat ze vluk de vlag naar binnen deed toe de Duitsers in de straat kwamen.

Axel: de mensen die de oorlog hebben meegemaakt, hebben zich sterk gehouden en voor zulke mensen heb ik veel repect.