De Bevriedinge: interview met Lucien Billiet

Interview met Lucien Billiet

 

Nasrin Kahn: Mijnheer Billiet was zeventien toen de oorlog begon. Nu nog steeds herinnert hij zich de pijnlijke momenten van de tweede wereldoorlog in Nieuwpoort.

 

Jan Heinrichs: Het interview ging heel goed. Mijnheer Billiet kon alle vragen zorgvuldig beantwoorden. Daarbij werden vele emoties getoond: blijdschap bij de bevrijding en verdriet bij het denken aan de doden.

 

Barda Reka: Aan het begin van de oorlog zat Mijnheer Billiet op school in Torhout. Hij leerde voor onderwijzer.

 

Anaïs Missiaen: ‘De directeur riep alle jongens bij elkaar. Hij zei dat er oorlog uitbrak en dat we onze koffers moesten nemen om naar huis te gaan.’

 

Nasrin: Mijnheer Billiet ging naar huis en zag overal Duitse vliegtuigen in de lucht. 10 mei 1940: de oorlog was begonnen.

 

Anaïs: De oorlog begon in Antwerpen en Limburg. Veel vluchtelingen kwamen naar onze streek.  De mensen dachten dat het een oorlog ging zijn als de eerste. Maar dat was niet zo. Het was veel erger. Want er bestonden vliegtuigen. De mensen waren bang. Zo bang dat ze in de kelder sliepen. De kelders hadden ze versterkt met meerdere stenen. Heel de tijd zwijgen. En hoop zoeken, heel veel hoop, om te kunnen denken dat het vlug voorbij zou zijn. Maar het was niet rap voorbij. Het duurde vijf jaar vooraleer het voorbij was.

 

Joyce Monteny: Mijnheer Billiet zei: “Oorlog is niet alleen vechten, maar ook honger lijden.”

 

Nasrin: Je kon geen voedsel in de winkel kopen. Je moest zegels hebben.

 

Joyce: Je kreeg tien bonnetjes per maand.

 

Ghilljen Alleyn: Mijnheer Billiet moest zijn zegels afgeven op school.

 

Jan: Tijdens de oorlog was er bijna niets te eten maar op school kregen ze soms een appelsien of een beetje chocolade.

 

Kevin Van Rompaey: ‘Honger lijden was het ergste. Soms ging ik de boer in Ramskapelle  helpen het gedorste graan op de kar te laden. Als dank mochten we dan de aren hebben die waren achtergebleven. We raapten ze van de grond en haalden de graankorrels eruit. Een hele zak vol had ik dan. Met een koffiemolen maalden we dat graan om er brood van te bakken.’

 

Manon Van Duüren: Iedereen vocht om aan eten te komen. De mensen kochten soms boter bij de boeren maar je moest opletten want ze deden soms margarine vanbinnen en boter er rond.

 

Ghilljen: Ze dronken namaakkoffie. Dat was gemaakt van gerst.

 

 

Anaïs: Vijf jaar heel weinig eten. Als je iets at, was het meestal niet lekker. Alles moest je betalen met zegels. Maar je kreeg maar een keer per maand zegels. En je kreeg er heel weinig. Maar er was één goed jaar. Dat was het jaar toen er veel haring was.

 

Manon: Nu en dan mochten de vissers op zee en kwamen dan terug met boten vol haring.

 

Victor: Veel mensen hebben de oorlog overleefd op haring. Miljoenen haring was er.

 

Axel Verdoolaeghe: Zelf verkocht Mijnheer Billiet ook haring. Hij smokkelde het. Hij verstopte het in een ‘mazoetje’ en zo ging het naar Diksmuide.

 

Bardha: Mijnheer Biljet werkte in die tijd in het treinstation.

 

Ghilljen: Dat stond op het einde van de Franslaan.  

 

Kevin: De stoomtrein reed in die tijd door Nieuwpoort-stad tot Nieuwpoort-bad.

 

Ghilljen: En een klein stoomtreintje noemden ze ‘een mazoetje.’

 

Kevin: ‘We mochten soms wel meer dan twee zakken haring meenemen. Maar die nacht had ik mijn haring in het kot gezet waar de stoomtrein water kwam halen en deed de deur op slot. Die nacht kwamen ze me wakker maken omdat ze de sleutels niet konden vinden en de trein stond stil. Ik was opgelucht want de haring hebben ze niet gevonden.’

 

Joyce: Mijnheer Billiet moest soms de treinsporen controleren om te zien of ze niet gesaboteerd waren.

 

Manon: Ze moesten van Nieuwpoort-stad naar Nieuwpoort-bad langs de rails stappen voor de trein vertrok. 

 

Jan: In de duinen werden grote staken geplaatst. Die hadden ze met de stoomtrein vervoerd. Aan die staken hing  prikkeldraad en ook mijnen. Dat deden ze omdat er geen vijandelijke parachutisten in de duinen zouden landen.

 

Manon: Je mocht niet op het strand en ook niet op de zeedijk.

 

Kevin: Op de dijk stonden kanonnen en het strand lag vol met prikkeldraad en misschien ook met mijnen.

 

Tomy Vaeremans: De villa’s op de zeedijk stonden leeg. Het waren buitenverblijven en de mensen moesten uit hun huis.

 

Victor Godaert: De Duitsers hadden die huizen met elkaar verbonden door gaten te maken in de muren.  

 

Bella Pogosian: Na acht uur ’s avonds mocht niemand meer buiten komen. Je moest ook het licht uitdoen want als een Duitser licht zag, schoot hij de ruit kapot.

 

Aschley: De mensen bedekten de ramen met zwarte doeken.

 

Nasrin: Je mocht ook niet naar de radio luisteren. Maar mijnheer Billiet deed het toch. Hij zette de radio heel erg stil zodat de buren het niet zouden horen. Op een keer hoorde hij in de radio: “En toch zullen we de moffen krijgen.”

 

Ghilljen: De Duitsers hadden de Belgische radio overgenomen. Dus luisterden de mensen naar de Engelse post. Met hun oor tegen de radio zodat de Duitsers het niet zouden horen. Toen hadden de Duitsers een plan: alle mensen moesten hun radio afgeven. Maar één man deed dat niet: de tandarts. ’s Avonds stak hij de radio aan en iedereen luisterde mee.

 

Nasrin: Norbert was een goede kennis van mijnheer Billiet. Hij zat in het verzet. Hij werd meegenomen en naar een concentratiekamp gevoerd. Dit vertelde mijnheer Billiet bijna met tranen in zijn ogen.

 

Victor: Het verzet verzamelde informatie over de Duitsers, bijvoorbeeld met hoeveel ze waren op die plek, hoe ze aanvielen, waar ze zijn enzovoort.

 

Kevin en Manon: Er was eens een Engels vliegtuig neergestort en de piloot was eruit gesprongen. De Duitsers gingen van huis tot huis om die piloot te vinden. Mijnheer Billiet stond op en toen hij buiten kwam, stonden twee Duitsers met een geweer voor zijn neus. Hij moest terug naar binnen. Ze zochten heel zijn huis af.

 

Kevin: Sommige mensen collaboreerden om meer eten te krijgen.

 

Manon: De overbuur van mijnheer Billiet was een collaborateur.

 

Joyce: Je mocht niet verder gaan dan vijf kilometer. Wel als je een ‘shein’ had. Dat moest je halen in Veurne.

 

Anaïs: Mijnheer Billiet was één van de eerste die wisten van de bevrijding.

 

Joyce: Hij had een signaal gekregen op het station dat de bevrijders eraan kwamen.

 

Kevin: ‘Toen de bevrijders kwamen waren we gerust en blij maar de Duitsers kwamen terug en begonnen te schieten. Dus vluchtten we naar een bunker in de Victorlaan. Met drieëndertig mensen zaten we daar. Er werd geschoten tot vier uur ’s nachts. Toen we geen schoten meer hoorden, deed ik de deur open. Er lag er een Canadees met een geweer op een stoel. Hij was dood.’

 

Joyce: Dat is het ergste wat mijnheer Billiet ervan onthouden heeft.

 

Bardha: Dat was het laatste schot dat hij gehoord heeft.

 

Jan: Op de dag van de bevrijding was iedereen heel gelukkig.

 

Axel: Veel huizen waren kapot maar toch hingen de mensen vlaggen uit om de bevrijders te bedanken.

 

Ghilljen: De oorlog was eindelijk gedaan en er was een heel groot feest. Mijnheer Billiet zat in de fanfare en speelde muziek in alle straten. De mensen waren allemaal blij.

 

Manon: De  tweede wereldoorlog was een erge tijd.

 

Anaïs: Ik hoop dat er nooit meer een oorlog ontstaat.



Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s