Van Daantje en het kraantje

Deze slideshow heeft JavaScript nodig.

Annie M.G. Schmidt (1911-1995) is met stip dé dame van de Nederlandse kinderliteratuur. In haar werk kiest zij steevast de kant van het kind. Vele van haar gedichten zijn grappige, fantasievolle verhaaltjes op rijm over koningen en prinsessen, zonderlinge dames en heertjes en lekker brutale kinderen.

 

Van Daantje en het kraantje

 

Dit is dan de geschiedenis,

die eigenlijk wel treurig is,

van Daantje

en het kraantje.

 

Twee keer per dag zei moeder: Daan,

kom nooit aan deze grote kraan.

Maar Daan was een ondeugend joch

en deed het toch.

 

Hij draaide aan de kraan van ’t bad,

dat ging zo leuk van spet en spat,

en Daantjes blauwe bloes werd nat

maar Daantje dacht: Wat hindert dat.

 

Hij draaide ’t kraantje verder open,

het kraantje ging nog harder lopen,

het water steeg en even later

toen was het bad al vol met water,

het water liep eroverheen,

en Daantje stond daar, heel alleen

en wist niet hoe het verder moest.

 

Het water bruiste wild en woest,

het water stroomde op de grond,

wat Daantje niet zo leuk meer vond.

 

Het water kwam zo hoog, zo hoog,

er bleef geen enkel plekje droog,

het stroomde over trap en gang

en Daantje werd zo vreeslijk bang.

 

Hij schreeuwde luid van ach en wee,

nu werd het werkelijk een zee,

met golven en met veel gedruis,

en Daantje was alleen in huis.

En niemand, niemand kon hem horen,

het water stond al tot zijn oren,

waar moest die arme Daantje blijven?

 

De hele boel ging aan het drijven,

de tafels en de hele boel

ging dobberen.

Kijk, daar dreef een stoel

en door de gang dreef een buffet

en daar een klok en daar een bed,

en eindelijk ging kleine Daan

maar boven op die hangklok staan.

 

Die dreef het raam uit en toen schuin

over de golven in de tuin,

daar was het water al gekomen

tot aan het topje van de bomen.

 

Daar dreef het grote kippenhok.

De kippen riepen angstig: Tok!

Een pauw, die op de schutting zat,

was ook niet happig op een bad

en kwam bij Daantje op de klok.

De kippen vlogen uit het hok

en kwamen ook bij Daantje schuilen.

 

De hond van buurman was aan ’t huilen

en ging ook op de hangklok staan

en eindelijk kwam ook de haan

en nog een heleboel konijntjes,

twee grote en nog dertien kleintjes,

en ook tenslotte nog een kater

die heel erg bang was van het water.

 

De klok dreef op de oceaan

met al die beesten en met Daan.

Ze kwamen eind’lijk in een baai

daar zwom een boze reuzenhaai.

Hij keek heel woest, hij keek heel vuil

en sperde wijd zijn haaienmuil,

en slokte toen de hele klok

naar binnen in een wipje, slok!

 

En Daantje met zijn witte kraag

zat in die vieze haaienmaag

waar het naar zure haring rook,

dat vonden alle beesten ook.

 

Maar ja, wat was eraan te doen,

je kon niet weg met goed fatsoen.

Gelukkig voor die arme Daan

is alles nog heel goed gegaan.

 

De haai, dat is echt haaierig,

werd van die beesten draaierig,

en na een uurtje spoog hij al

zijn passagiers weer aan de wal.

 

En dát was nu zo grappig, zeg,

ze stonden midden op de weg,

de weg naar huis.

Daar stond de kerk

en moeder was gewoon aan ’t werk.

 

Ze had het kraantje dichtgedaan

en riep al urenlang om Daan.

 

De kippen gingen in hun hok

en vader draaide aan de klok,

en moeder zei weer: Lieve Daan,

draai nooit meer aan die grote kraan.

 

 




Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s